Copy

 

 

Nieuwsbrief              


Jaargang 12
Nummer 11
Oktober 2016

 

Intellectuele eigendom: van wie is het?

 


In menige organisatie speelt innovatie een belangrijke rol. Er kan veel geld gemoeid zijn met de ontwikkeling van ideeën of technologieën. Het is dan natuurlijk wel zo prettig als ontwikkelde ideeën of technologieën niet zomaar door andere partijen kunnen worden overgenomen.

Het intellectuele eigendomsrecht, of kortweg: ‘IE’ – zoals het octrooi-, modellen-, auteurs-, merken- en handelsnaamrecht – beschermt dergelijke ‘voortbrengsels van de geest.’ Maar bij wie rusten eigenlijk de rechten als een werknemer of opdrachtnemer (zoals een ZZP’er) iets heeft bedacht of gemaakt?


Verschillende deelgebieden: verschillende regels
Voor de genoemde verschillende deelgebieden van IE, gelden verschillende regels. Zo kennen we in Nederland bijvoorbeeld de Rijksoctrooiwet, het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom, de Auteurswet en de Handelsnaamwet. Het voert te ver om elk van deze deelgebieden hier te bespreken. Daarom wordt hierna ingegaan op de twee meest in het oog springende.

Uitvindingen
In vroegere tijden was de aanvrager van een octrooi (ook wel patent genoemd) meestal ook de uitvinder. Met de komst van de industrialisering is dit veranderd. Veel uitvindingen worden tegenwoordig in dienst van een bedrijf gedaan. Vragen die dan spelen is of de uitvindende werknemer recht heeft op een beloning voor zijn uitvinding in dienstverband, maar ook wie de rechthebbende is van het octrooi.

Uit
artikel 12 lid 1 van de Rijksoctrooiwet volgt als hoofdregel dat als een uitvinding is gedaan in dienstverband, in principe de werknemer zelf aanspraak heeft op octrooi. Dit is slechts anders – en de werkgever kan dus slechts aanspraak maken op het octrooi – als aan een aantal voorwaarden is voldaan:

  • Op de eerste plaats moet (uiteraard) sprake zijn van een uitvinding waarvoor überhaupt een octrooi kan worden verkregen volgens de Rijksoctrooiwet. 

  • Op de tweede plaats moet sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Bijvoorbeeld een opdrachtovereenkomst valt niet onder het begrip dienstverband. 

  • Op de derde plaats moet het uitvinden tot het takenpakket van de werknemer behoren. Uitvindingen die niet onder het takenpakket en de feitelijke werkzaamheden van de werknemer vallen, komen dus in principe toe aan de werknemer.


Let op: de Rijksoctrooiwet heeft de mogelijkheid opengelaten om schriftelijk af te wijken van de hiervoor genoemde hoofdregel en (andere) afspraken te maken. Gelet op de onduidelijkheid die kan ontstaan over wie nu de rechthebbende is, is het verstandig om in de arbeidsovereenkomst hiervoor een bepaling op te nemen. Wanneer wordt gewerkt met opdrachtnemers (zoals freelancers of ZZP’ers), moeten sowieso afspraken worden gemaakt, omdat het octrooi anders altijd aan de opdrachtnemer toekomt. 

Auteursrechten
Ook de hoofdregel van het auteursrecht is dat de rechten rusten bij degene die het werk heeft gemaakt. Bij de maker dus. Artikel 10 van de Auteurswet geeft een opsomming van werken van ‘letterkunde, wetenschap of kunst’, die voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan applicaties, websites, software, boeken, brochures, schetsen, foto’s, etc.

Op de hiervoor genoemde hoofdregel gelden een aantal uitzonderingen. Zo is er in
artikel 7 van de Auteurswet bepaald dat als het creëren van een bepaald werk in een daartoe strekkend dienstverband is verricht, de werkgever als maker wordt aangemerkt. De werkgever die zich op basis van dit ‘werkgeversauteursrecht’ rijk rekent, kan echter bedrogen uitkomen. Er zitten namelijk een aantal haken en ogen aan deze bepaling.

In dienstbetrekking
We lezen en horen de laatste tijd steeds vaker dat de arbeidsmarkt ‘flexibeler’ wordt. Momenteel heeft ongeveer 34% van de werkzame Nederlandse beroepsbevolking een flexibel dienstverband of werkt als ZZP’er. De verwachting is dat deze trend van een flexibeler wordende arbeidsmarkt nog verder doorzet (Financieel Dagblad, 12 september 2016). Voor het hiervoor genoemde ‘werkgeversauteursrecht’ is een ‘echt’ dienstverband vereist. Opdrachtnemers vallen hier dus niet onder. Dat betekent dat als met een opdrachtnemer wordt gewerkt en geen afspraken worden gemaakt over het auteursrecht, deze rechten bij de opdrachtnemer blijven. 

Ook een stage-overeenkomst is geen dienstbetrekking in de zin van de Auteurswet. Een stagiair die stage liep bij de afdeling Stadsontwikkeling van de gemeente Reimerswaal, ontwierp tijdens de stage een straatmeubel (dat de functies plantenbak, zitbank en rijwielklem combineerde). De gemeente heeft vervolgens 38 van deze ‘bakken’ doen vervaardigen en geplaatst. De stagiair was van mening dat de auteursrechten bij hem rustten.
De Rechtbank Middelburg gaf hem daarin gelijk. De positie van een stagiair verschilt van die van een werknemer, doordat de stagiair niet in een gezagsverhouding werkzaamheden verricht tegen een bepaalde vergoeding, maar meer als ‘gast’ meeloopt. De vergoeding die de gemeente aan de stagiair moest betalen is bepaald op f 3.800,-.

Maken moet tot de taak behoren, of op basis van een incidentele specifieke opdracht
Verder is voor het wettelijke werkgeversauteursrecht vereist dat het maken van de werken tot de taak van de werknemer behoort (Gerechtshof ’s-Gravenhage). Werken die voor de werkgever nuttig zijn, maar buiten de taakomschrijving door de werknemer zijn gemaakt, vallen simpelweg niet onder het werkgeversauteursrecht. Wél is sprake van werkgeversauteursrecht als sprake is van een incidentele opdracht om bijvoorbeeld bepaalde applicaties te maken (Rechtbank ’s-Gravenhage). 

Zeggenschap van de werkgever
Tot slot moet de werkgever een vorm van zeggenschap hebben over de vorm waarin het concrete werk tot stand komt.

Net als de Rijksoctrooiwet, geeft de Auteurswet de mogelijkheid aan partijen om zelf afspraken te maken over wie als rechthebbende heeft te gelden. Het is dan ook aan te raden om in de arbeidsovereenkomst of opdrachtovereenkomst hierover bepalingen op te nemen.


Conclusie
Voor de besproken deelgebieden van IE geldt dat in beginsel de makende of uitvindende werknemer de intellectuele eigendomsrechten krijgt. De intellectuele eigendomsrechten zijn echter voor de werkgever als aan een aantal cumulatieve vereisten is voldaan. Om discussie te voorkomen en/of er zeker van te zijn dat de intellectueel eigendomsrechten toekomen aan de werkgever, is het verstandig hierover afspraken op te nemen in de arbeidsovereenkomst (of in een addendum bij de arbeidsovereenkomst). Als wordt gewerkt op basis van een opdrachtovereenkomst, dienen sowieso afspraken gemaakt te worden om de intellectuele eigendomsrechten aan de opdrachtgever te laten toekomen! Uiteraard kunnen wij helpen bij het opstellen van sluitende bepalingen.

 
 

Neem voor meer informatie vrijblijvend contact met ons op via 055-5066650 of info@wvo-advocaten.nl

 


Het laatste nieuws

 

 

28 september 2016

In een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland is geoordeeld dat een richtlijnconforme uitleg van artikel 9 a lid 2 Waadi meebrengt dat het belemmeringsverbod óók geldt voor uitzendkrachten met een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De werknemer, werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, was gedetacheerd bij een derde en had in kort geding schorsing van het relatiebeding gevorderd, zodat het hem was toegestaan om na afloop van zijn detachering in dienst te treden bij de partij aan wie hij ter beschikking is gesteld.

 

21 september 2016
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft een ontbindingsverzoek op de ‘d-grond’ (disfunctioneren) toegewezen. Het Hof was van oordeel dat de werkgever op terechte gronden tot ontslag heeft kunnen overgaan, omdat zij de werknemer concreet en structureel zodanige aanwijzingen heeft gegeven dat het voor hem duidelijk was op welke punten hij moest verbeteren. Verder werd het functioneren regelmatig geëvalueerd. (Zie voor de ins en outs van een verbetertraject ook hier).

 

9 september 2016
Twee voormalig longartsen van het failliete Ruwaard van Puttenziekenhuis hebben vorderingen ingediend tegen de overnemende partij, SMC. Nadat het Ruwaard van Puttenziekenhuis is gefailleerd hebben de curatoren de inventaris, voorraden en immateriële activa van het ziekenhuis overgedragen aan SMC. De zelfstandige praktijken van de medisch specialisten zijn niet overgedragen. SMC heeft de longartsen arbeidsovereenkomsten (voor bepaalde tijd aangeboden), maar heeft hen geen overeenkomsten aangeboden om hun praktijk voort te zetten. De longartsen hebben bij het aangaan van hun arbeidsovereenkomsten met het SMC uitdrukkelijk hun rechten voorbehouden met betrekking tot de door hen opgebouwde praktijk en de hierin gevormde goodwill. De Rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking door SMC, door de praktijk van de longartsen over te nemen zonder daarvoor een redelijke vergoeding te betalen.

  



Op de hoogte blijven van juridische nieuwtjes en de ontwikkelingen binnen en buiten ons kantoor? Volg WVO Advocaten op

 



Op de hoogte blijven van alle nieuws? Schrijf u dan nu in voor onze wekelijkse Nieuwsflits!
Schrijf u nu in
Copyright © 2016  WVO Advocaten

Ons e-mailadres is:
info@wvo-advocaten.nl

Uw voorkeur voor onze nieuwsbrief aanpassen?

update your preferences of unsubscribe from this list
 






This email was sent to <<Email Address>>
why did I get this?    unsubscribe from this list    update subscription preferences
WVO Advocaten · Hoofdweg 72 · Loenen, Gelderland 7371 AK · Netherlands

Email Marketing Powered by Mailchimp