Copy
Bekijk de online versie in uw browser
Onderzoeksnieuwsbrief
Eerstelijnsgeneeskunde
#2
16 september 2019
Header
Divider
Welkom bij de onderzoeksnieuwsbrief van de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde!

Het is zomer; tijd om even wat meer afstand van het werk te nemen, te genieten van mooi weer (ook in Nederland!) en, uiteraard, om deze onderzoeksnieuwsbrief te lezen. En het is een flinke uitgave geworden – waard om de tijd voor te nemen om te lezen! In deze uitgave vindt u een overzicht van onderzoeksresultaten van projecten waarbij gebruik is gemaakt van de HIS-data uit deelnemende huisartsenpraktijken. Ook vindt u informatie over onze promoties en een overzicht van de publicaties. Veel dank voor uw bijdrage aan ons onderzoek - zonder u waren deze uitkomsten niet gerealiseerd!

Over het RTKIC 

Er is in onze regio steeds meer interesse in transmurale samenwerking tussen ziekenhuis en eerste lijn op het gebied van zorginnovatie en wetenschappelijk onderzoek. Het aantal plannen voor transmurale projecten neemt beduidend toe en onze afdeling is bij steeds meer projecten betrokken. Eind 2017 is het Radboudumc Transmuraal Kennis- en innovatiecentrum (RTKIC) opgericht met als doel meer structuur en duidelijkheid te bieden aan deze projecten. Het RTKIC maakt onder meer gebruik van de netwerken waar wij partner van zijn en de door ons verzamelde (morbiditeit) data vanuit de deelnemende huisartspraktijken. Wilt u meer weten over ons onderzoek, netwerken of het RTKIC kijk dan op onze website.
Divider
Inhoud van deze nieuwsbrief
Onderzoeken
  1. Variatie in antibiotica voorschrijfgedrag en daarmee geassocieerde praktijkkenmerken.
  2. Sabel: Inzicht in de antibioticavoorschrijfkwaliteit in de huisartsenpraktijk.
  3. Verdachte huidafwijkingen.
  4. Prevalentie en behandeling van actinische keratose in de eerste lijn.
  5. De rol van de huisarts in de diagnostiek en therapie van verdachte huidafwijkingen.
  6. Data-gedreven beslissingsondersteuning voor de behandeling van chronische nierschade.
  7. CORPUS: onderzoek naar de (kosten)effectiviteit van psychosomatische therapie voor patiënten met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) die frequent hun huisarts bezoeken.
  8. Nierfunctiestoornissen en dehydratatie.
  9. Verschil in populatie die soatest laat verrichten door huisarts en GGD.
  10. Relatie tussen geboortevolgorde en aantal consulten en verwijzingen in de huisartspraktijk.
  11. Geslachtsverschillen in de incidentie van luchtwegklachten en het beleid door huisartsen.
  12. Verschillen patiënten met onverklaarbare duizeligheid van patiënten met te verklaren duizeligheid?
  13. Symptoomduur als voorspeller voor de diagnose.
  14. Geslachtsverschillen in eerstelijnsinterventie bij long- en colorectale kanker.
  15. De uitkomst van hypertensiebehandeling in de huisartsenpraktijk.
  16. Ziektelast bij mensen met COPD: een vergelijking tussen eerste, tweede en derde lijn.
  17. CVRM bij COPD-patiënten in de huisartsenpraktijk; een kijkje achter het rookgordijn.
  18. Comorbiditeit index scores en exacerbatie risico bij patiënten met COPD.
  19. PICS-F: klachten bij familieleden van voormalige ic-patiënten.
  20. Diagnose en comorbiditeit bij jonge patiënten met cardiovasculaire klachten.
  21. Consultatiepatronen als voorspeller van SOLK
Promoties
Publicaties
De AVG wetgeving
Divider
Onderzoeken

1 Variatie in antibiotica voorschrijfgedrag en daarmee geassocieerde praktijkkenmerken
Antibioticaresistentie vormt een serieuze bedreiging voor de volksgezondheid en leidt onder meer tot het falen van behandelingen, hogere kosten voor de gezondheidszorg en zelfs tot een hogere mortaliteit. Antimicrobiële resistentie ontstaat van nature na verloop van tijd, echter door misbruik en overmatig gebruik van antibiotica versnelt dit proces. De hoogste percentages antibioticumvoorschriften voor systemisch gebruik bevinden zich in de eerste lijn. Er worden duidelijke verschillen gezien tussen huisartsenpraktijken in de hoeveelheid voorschriften en in de keuze voor het soort antibioticum. Hoe groot die variatie is en waar ze door ontstaat, is niet duidelijk. Het doel van dit onderzoek was inzicht krijgen in de variatie in het antibiotica voorschrijfgedrag van Gelderse huisartsen behorend tot de ‘GAIN’-regio (Gelders Antibioticaresistentie en Infectiepreventie Netwerk) om zo de insteek voor interventies te bepalen en daarmee het antibioticagebruik te kunnen optimaliseren. Ook is de relatie onderzocht tussen het voorschrijfgedrag en verschillende praktijkkenmerken. Gelderse huisartsen bleken gemiddeld 301 antibioticumkuren voor te schrijven per 1000 patiëntjaren, wat overeenkomt met het landelijk gemiddelde in 2017 van 305 per 1000 patiëntjaren. Er is echter een vijfvoudig verschil gevonden in het gemiddeld jaarlijks aantal voorschriften tussen de laagste en de hoogste voorschrijver (91.3 versus 442.3 voorschriften/1000 patiëntjaren). Het aantal voorschriften bleek gerelateerd aan de leeftijdsverdeling en aan het opleidingsniveau. De praktijken die in verhouding veel antibiotica voorschreven, hadden relatief veel 75-plussers en lager opgeleiden in hun patiëntpopulaties. Dit verklaart echter maar een klein deel van de variatie. Verder schreven de huisartsenpraktijken met een hoog aantal voorschriften relatief meer antibiotica voor die aanbevolen zijn in de richtlijn, maar ook relatief meer breedspectrum antibiotica.
Onderzoekers: Alma Tostmann en Annemarie Uijen, Ellen van Jaarsveld, Hans Peters en Tia Brouwers.

2 Sabel: Inzicht in de antibioticavoorschrijfkwaliteit in de huisartsenpraktijk
Eind 2018 startte het project ‘Spiegelinformatie AntiBiotica Eerste Lijn’ (SABEL) dat unieke informatie verschaft over kwaliteit van antibioticavoorschrijfgedrag in huisartspraktijken. SABEL is één van de middelen om antibioticaresistentie beheersbaar te houden en kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen. Het project wordt mogelijk gemaakt door subsidie van het Ministerie van VWS, het Regionale Zorgnetwerk GAIN (Gelders Antibioticaresistentie & Infectiepreventie Netwerk) en ABR Zorgnetwerk Utrecht. Onderdeel van het project zijn nascholingen voor FTO-groepen met als doel het ondersteunen van huisartspraktijken om de inzet van antibiotica te optimaliseren. Een belangrijk kenmerk van deze nascholing is de terugkoppeling van spiegelinformatie waarbij voorschrijfgegevens worden gekoppeld aan indicaties. Deze nascholingen worden verzorgd door specifiek hiervoor opgeleide huisartsexperts. Uit de GAIN-regio stellen 48 huisartsenpraktijken HIS-data beschikbaar waarmee uitkomstindicatoren worden berekend die vergeleken worden met praktijken uit de eigen FTO-groep en landelijke waarden. Deze informatie wordt vervolgens samengebracht in een spiegelrapportage die huisartsenpraktijken handvatten biedt om de gewenste kwaliteitsverbeteringen te realiseren. Inmiddels zijn voor de eerste FTO-groepen spiegelrapportages door het RTC Health Data geproduceerd. Het SABEL-project wordt in december 2019 afgerond waarna verdere landelijke implementatie via regionale zorgnetwerken mogelijk is.
Onderzoekers: Ellen van Jaarsveld, Hans Peters, Tamara Platteel en Michelle van Willige.

3 Verdachte huidafwijkingen
Huidkanker komt steeds vaker voor: de incidentie stijgt jaarlijks, wat leidt tot een toename van de zorgvraag, in eerste instantie in de huisartsenpraktijken. Maar ook wordt meer doorverwezen naar dermatologen, mede omdat de benodigde kennis en vaardigheden bij huisartsen niet altijd optimaal zijn. Om die reden is de LHV Huisartsen Kring Nijmegen e.o. in samenwerking met dermatologen van de ziekenhuizen uit de regio vorig jaar gestart met het project Verdachte huidafwijkingen. Doel van dit project is de rol van huisartsen bij de diagnose en behandeling van laagrisico (pre)maligne huidaandoeningen te stimuleren. Met dit project ondersteunt de huisartsenkring alle huisartsenpraktijken uit Nijmegen en omstreken om voor (pre)maligne huidaandoeningen, door middel van scholing en heldere samenwerkingsafspraken met de dermatologen in de regio, kwalitatief goede huidkankerzorg in de eerste lijn te kunnen bieden. Het eerste Programma Individuele Nascholing (PIN), gebaseerd op de in 2017 verschenen nieuwe NHG-Standaard Verdachte huidafwijkingen, is onderdeel van de scholing binnen dit project. Dermatologen ondersteunen de uitgangspunten voor meer diagnostiek en behandeling van met name actinische keratose en het laagrisico basaalcelcarcinoom in de eerste lijn, mits dit kwalitatief goed wordt uitgevoerd. De dermatologen signaleren hierin een grote variatie tussen huisartsen die zij graag zien verminderen. Voor de dermatologen is het belangrijk dat ze verantwoord patiënten kunnen terugverwijzen naar de huisarts. De evaluatie van de veranderingen in kwaliteit van zorg en verwijsgedrag wordt uitgevoerd door de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde op basis van HIS-data uit de deelnemende huisartspraktijken. Het project loopt tot eind 2019.
Onderzoekers: Breg Braak, Brigit Jansen (LHV Huisartsenkring Nijmegen e.o.), Carla Nij Bijvank (huisarts), Hans Alkemade (dermatoloog CWZ), Jeanet Bouw (projectleider), José Donkers, Kevin Hueskes (huisarts) en Satish Lubeek (dermatoloog Radboudumc).

4 Prevalentie en behandeling van actinische keratose in de eerste lijn 
Actinische keratose (AK) is een verhoornings- en uitrijpingsstoornis van de huid, veroorzaakt door langdurig blootstelling aan ultraviolet licht. Het kan zich ontwikkelen tot plaveiscelcarcinoom; een vorm van huidkanker. Momenteel worden de meeste huidkankerpatiënten behandeld door de dermatoloog, maar naar verwachting wordt de diagnostiek en behandeling van huidtumoren met een laag risico steeds vaker uitgevoerd door huisartsen. Volgens de NHG-standaard zijn er twee behandelopties omtrent AK: cryotherapie en behandeling met 5-fluorouracilcrème (5-FU), maar deze laatste wordt weinig toegepast door huisartsen, terwijl de topicale therapieën wel effectiever zijn bevonden. Bovendien wordt er veel doorverwezen naar de tweede lijn, waardoor AK een van de meeste behandelde aandoening is van de dermatoloog. Dit onderzoek richtte zich op de prevalentie en behandeling van AK door huisartsen. Uit HIS-gegevens van 82 huisartspraktijken over 2016 t/m 2018 werden 4.676 patiënten ouder dan 18 jaar en gediagnosticeerd met AK geïncludeerd. De prevalentie van AK steeg met de leeftijd bij zowel mannen als vrouwen. De puntprevalentie was in 2016 voor AK bij mannen 25,40 (95% BI: 24,55-26,25), in 2017 30,00 (29,09-30,91) en in 2018 33,80 (32,85-34,75) per 1000 patiëntjaren. Voor vrouwen was de puntprevalentie in 2016: 25,88 (25,02-26,74), in 2017: 29,89 (28,99-30,79) en in 2018: 34,44 (33,49-35,40) per 1000 patiëntjaren. Dit zijn prevalentiecijfers uit de huisartspraktijk. Wanneer de algehele populatie wordt onderzocht zal hoogstwaarschijnlijk een hogere prevalentie gevonden worden. Cryotherapie was de meest gebruikte therapie (54,1%). Topicale therapieën werden in 7,1% van de gevallen voorgeschreven, met een voorkeur voor 5-FU (6,2%). Imiquimod en ingenol mebutaat werden in 0,9% voorgeschreven. Vrouwen kregen minder vaak 5-FU voorgeschreven. Indien patiënten als comorbiditeit een BCC of PCC hadden, werd er minder vaak cryotherapie toegepast en vaker 5-FU voorgeschreven. In het geval van Morbus Bowen als comorbiditeit werden meer topicale therapieën voorgeschreven. Ook in geval van een melanoom, werd cryotherapie minder vaak toegepast als behandeling voor AK. Sommige patiënten kregen meerdere behandelingen. Het gebruik van topicale therapieën moet gestimuleerd worden, waardoor ook het aantal verwijzingen zal verminderen. 
Onderzoekers: Breg Braak, Christie Peters en Hans Peters.

5 De rol van de huisarts in de diagnostiek en therapie van verdachte huidafwijkingen
Doel van dit onderzoek was om de huidige werkwijze van de huisarts in het zorgtraject rondom huidkanker in kaart te brengen zodat bijscholing van huisartsen geoptimaliseerd kan worden. Alle patiënten die in de periode 2013 t/m 2018 stonden ingeschreven in een huisartspraktijk van het FaMe-net, met een zorgepisode die gestart is met een aan verdachte huidafwijkingen gerelateerde reden van komst (RFE) zijn geïncludeerd. Het diagnostisch en therapeutisch beleid werden geanalyseerd. In totaal waren er 25.138 zorgepisodes met een RFE gerelateerd aan een verdachte huidafwijking; roodheid, zwelling en jeuk waren de meest voorkomende. De voorspellende waardes op de einddiagnoses huidkanker, actinische keratose en een goedaardige huidtumor waren laag. Er werden 419 (=0.2%) episodes met de diagnose huidkanker gevonden en nader bekeken. In de patiëntendossiers werd slechts in 16.7% van alle episodes een volledige beschrijvingen van de laesie genoteerd. In 2.6% werd er gebruik gemaakt van een dermatoscoop en 37.5% van alle huidmaligniteiten werd histopathologisch onderzocht, vaker via diagnostische excisie dan een biopt. Topicale therapieën werden sporadisch toegepast. In 79% van de episodes werd de patiënt doorverwezen naar de tweede lijn, waarvan 16.5% na het stellen van de histologische diagnose in de eerste lijn. Bij mannen werd er significant vaker een excisie verricht dan bij vrouwen. Wanneer de locatie van de tumor zich in het hoofdhals gebied bevindt, werd deze minder frequent door de huisarts weggesneden en significant vaker verwezen naar de tweede lijn. Concluderend hebben contactredenen gerelateerd aan verdachte huidafwijkingen een beperkte waarde als voorspeller van huidkanker, actinische keratose en goedaardige huidtumoren. De huisartsen maken slechts in beperkte mate gebruik van diagnostische hulpmiddelen. Om de huidkankerzorg op een verantwoorde wijze meer terug te brengen naar de eerste lijn moeten er meer biopten worden verricht. Zo kan het grote aantal verwijzingen verminderd worden.
Onderzoekers: Kees van Boven en Mirte van Alst.

6 Data-gedreven beslissingsondersteuning voor de behandeling van chronische nierschade
In de zorg wordt steeds meer data verzameld. Met behulp van machine learning is het mogelijk om op basis van grote hoeveelheden data te voorspellen wat bijvoorbeeld het risico op complicaties of verergering van ziekte is of wat de verwachte effecten van behandelingen zijn. Op deze manier kan de zorg voor patiënten toegespitst worden op het individu en krijgen patiënten alleen nog de zorg die in de praktijk daadwerkelijk heeft geleid tot een verbetering van relevante uitkomsten bij vergelijkbare patiënten. Pacmed ontwikkelt en implementeert beslissingsondersteunende software op basis van machine learning voor verschillende specialismen waaronder de huisartsenzorg. De afdeling Eerstelijnsgeneeskunde ontwikkelt samen met Pacmed en de afdeling Nierziekten van het Radboudumc software voor op maat gemaakte zorg voor patiënten met chronische nierschade, diabetes mellitus en hypertensie. Hierbij worden zij gesteund door CZ en werken zij samen met diverse zorggroepen en academische partners. De samenwerking is gestart met het ontwikkelen van software die voor de individuele patiënt het risico voorspelt op verslechtering van bestaande chronische nierschade. Hiervoor is gekozen omdat onder huisartsen en POH’s behoefte bestaat aan meer en betere ondersteuning voor de behandeling van chronische nierschade. Het algoritme is zo goed als klaar en ook de interface van de software krijgt steeds meer vorm. Binnenkort wordt met steun van de Nierstichting gestart met de ontwikkeling van een algoritme dat ondersteunt bij vroegtijdige opsporing van chronische nierschade. Volgens cijfers van de Nierstichting blijkt dat 40% van de patiënten die chronische nierschade heeft zich hier niet van bewust is, terwijl adequate monitoring en behandeling van belang is om verdere achteruitgang tegen te gaan. 
Onderzoekers: Alexandra de Rotte (Pacmed), Daan de Bruin (Pacmed), Giovanni Cinà (Pacmed), Henk Schers, Hans Peters, Jack Wetzels, (afdeling Nierziekten, Radboudumc), Kees van Boven, Marieke van Rijn (afdeling Nierziekten, Radboudumc), Wim de Grauw en Wouter Kroese (Pacmed).

7 CORPUS: onderzoek naar de (kosten)effectiviteit van psychosomatische therapie voor patiënten met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) die frequent hun huisarts bezoeken
Een deel van de patiënten die frequent de huisarts bezoeken, heeft lichamelijke klachten waarvoor de huisarts geen lichamelijke aandoening als afdoende verklaring vindt (SOLK). Deze patiënten ervaren vaak problemen in hun dagelijks functioneren zoals minder sociale activiteiten en werkverzuim, een lage kwaliteit van leven en vermoeden vaak een somatische verklaring voor hun klachten. Huisartsen vinden het vaak moeilijk om deze groep patiënten goed te behandelen en te begeleiden. Patiënten zijn vaak niet tevreden met de ontvangen zorg en hebben vaak veel weerstand om naar een psycholoog verwezen te worden. Er is nog weinig bewijs voor een doelmatige en effectieve behandeling voor deze patiënten. Huisartsen geven aan dat een verwijzing naar de psychosomatische oefen- of fysiotherapie vaak makkelijker en meer acceptabel is voor patiënten dan een verwijzing naar de psycholoog. De psychosomatische therapie is een specialisatie van de gewone fysio- en oefentherapie in het behandelen van patiënten met SOLK. Het is een interventie die op maat wordt aangeboden en bestaat uit verschillende modules, zoals (psycho-)educatie, lichaamsgerichte therapievormen, cognitief-gedragsmatige therapie (CGT)technieken en huiswerkopdrachten. Uit een pilot blijkt dat patiënten zeer tevreden zijn over de psychosomatische therapie; ze vinden deze acceptabel en haalbaar. Voor dit onderzoek wordt uit dossierdata van huisartspraktijken de 10% patiënten (18-80 jaar) met SOLK geselecteerd die de huisarts in de afgelopen twee jaar het vaakst bezocht. De CORPUS-trial is een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (RCT) in de eerste lijn waarbij 79 patiënten psychosomatische therapie ontvangen naast de gebruikelijke huisartsenzorg (interventiegroep) en 79 alleen de gebruikelijke huisartsenzorg (controlegroep). Alle patiënten beantwoorden bij aanvang en na vier en twaalf maanden vragenlijsten. Naast de RCT loopt een procesevaluatie met onder andere kwalitatief onderzoek (interviews met zowel therapeuten als patiënten). De primaire uitkomstmaat is patiënt specifiek functioneren en beperkingen, gemeten met de patiënt specifieke klachtenlijst (PSK). Secundaire uitkomstmaten zijn onder meer mate van ernst van de symptomen, patiënttevredenheid, kwaliteit van leven en de (in)directe (niet)medische kosten. De werving van huisartspraktijken is in september 2018 gestart binnen de ANH (Radboudumc netwerk), het VUmc en AMC en loopt nog. In januari 2019 is de eerste patiënt geïncludeerd. De inclusie loopt t/m december 2019. Bij interesse voor deelname kunt u contact opnemen met m.wortman@amsterdamumc.nl. CORPUS is een samenwerkingsproject van de afdeling Huisartsgeneeskunde & Ouderengeneeskunde van de Vrije Universiteit Amsterdam, de faculteit Gezondheid van de Hogeschool Amsterdam en de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het Radboudumc.
Onderzoekers: Bart Visser (HvA), Hans van de Wouden (VUmc), Henriëtte van der Horst (VUmc), Margreet Wortman (VUmc, HvA), Pim Assendelft en Tim olde Hartman.

8 Nierfunctiestoornissen en dehydratatie
Bij ouderen, patiënten met chronische nierschade en patiënten met hartfalen die renine-angiotensine-aldosteron-systeem (RAAS)-remmers, diuretica of niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID) blijven gebruiken tijdens intercurrente ziekteperiodes die gepaard gaan met dehydratie, bestaat een hoog risico op het ontwikkelen van complicaties zoals een acute nierinsufficiëntie. Het doel van deze studie was te beoordelen hoe vaak deze hoog-risicopatiënten het advies van de huisarts kregen tijdelijk te staken met de hoog-risicomedicatie als zij zich meldden met klachten van braken, diarree of koorts. Daarnaast is onderzocht wat de aard en frequentie was van de complicaties die optraden. In een cross-sectineel onderzoek, uitgevoerd met patiënten uit zeven FaMe-Net praktijken, werden 3607 hoog-risicopatiënten geïncludeerd (patiënten met RAAS-remmers, diuretica of NSAIDS) met een risicovolle episode (episode met braken, diarree, koorts) uit een totaal van 44.675 patiënten (8,1%). In 38 (4,6%) van 816 'dehydratie-risico' episodes kregen patiënten het advies te staken met hun hoog-risicomedicatie. In 59 van 816 episodes (7,1%) traden complicaties (voornamelijk ANI) op. Conclusie: Nederlandse huisartsen adviseren nauwelijks hun patiënten met een hoog risico te staken met hoog-risicomedicatie ten tijde van dehydratie. Complicaties komen relatief vaak voor. 
Onderzoekers: Kees van Boven, Jasmijn Faber en Annemarie Uijen.

9 Verschil in populatie die SOA-test laat verrichten door huisarts en GGD
Specifieke SOA-risicogroepen als personen met een migratieachtergrond en laagopgeleiden komen weinig naar de GGD Gelderland-Zuid voor een SOA-test. Om een beter beeld te krijgen van de seksuele gezondheid van deze groepen, of ze voldoende worden getest en of het beleid omtrent seksuele gezondheid gericht moet worden op het bereiken van deze doelgroep, is meer inzicht nodig in de populatie die een SOA-test laat verrichten door de huisarts. Uit elektronische patiëntendossiers van elf huisartsenpraktijken in de regio Gelderland-Zuid werden 1077 geregistreerde SOA-episodes geïncludeerd. De data van de GGD Gelderland-Zuid werden verkregen via het RIVM, waarbij 6441 patiënten werden geïncludeerd. Alle data werden verzameld over 2017. De doelgroepen die een SOA-test lieten verrichten bij de GGD en huisarts vullen elkaar aan wat betreft leeftijd en geslacht. Het SOA-vindpercentage is hoger bij de populatie die een SOA-test laat verrichten bij de GGD dan bij de huisarts (17,5 versus 12,1 procent). Uit dit onderzoek blijkt dat er een indicatie is dat in postcodegebieden waarin meer personen met een migratieachtergrond wonen en in postcodegebieden waarin meer hoogopgeleiden wonen, meer SOA-testen worden verricht in de huisartsenpraktijk. Personen met een laag opleidingsniveau worden mogelijk onvoldoende getest op SOA. De GGD Gelderland-Zuid kan het beleid op deze doelgroep richten.
Onderzoekers: Colette van Bokhoven (GGD-Gelderland Zuid), Anke van den Elsen, Jeannine Hautvast, Ellen van Jaarsveld en Hans Peters.

10 Relatie tussen geboortevolgorde en aantal consulten en verwijzingen in de huisartspraktijk
Jonge kinderen (tussen 0 en 4 jaar) komen geregeld bij de huisarts, wat kan leiden tot overdiagnostiek en -behandeling. Het is belangrijk om inzicht te krijgen in de factoren die van invloed zijn op het gebruik van (huisartsen)zorg. In dit onderzoek is gekeken naar de relatie tussen de geboortevolgorde, eerstgeboren kinderen in een gezin versus later geborenen, en het aantal consulten en verwijzingen in de huisartspraktijk. Alle kinderen tussen 0 en 4 jaar die in de periode 2013-2018 ingeschreven stonden bij één van de huisartspraktijken binnen FaMe-Net (Family Medicine Network) werden meegenomen in dit onderzoek. Het aantal contacten met de huisartspraktijk, consulten, telefoontjes en visites, zowel in de dagelijkse praktijk als in de ANW-dienst, en het aantal verwijzingen werden geanalyseerd. De aantallen tussen eerstgeboren- en later geboren kinderen werd vergeleken, waarbij gecorrigeerd werd voor geslacht, leeftijd en duur van follow-up. In totaal werden 5154 kinderen geïncludeerd met 43030 contacten. Eerstgeboren kinderen hadden vaker contact met de huisarts dan later geboren kinderen. Dit geldt voor consulten in de dagelijkse praktijk (rate ratio 1.36) en tijdens ANW-diensten (rate ratio 1.47), telefonische contacten in de dagelijkse praktijk (rate ratio 1.29) en tijdens ANW-diensten (rate ratio 2.02) en visites in de dagelijkse praktijk (rate ratio 1.33) (P< 0.001). We vonden geen statistisch significant verschil in het aantal verwijzingen. Huisartsen moeten zich bewust zijn van de verschillen in het aantal consulten tussen eerstgeborenen en later-geborenen. Mogelijk is advies en educatie door de huisarts bij het eerste kind van invloed op de frequentie van contact bij daaropvolgende kinderen. 
Onderzoekers: Kees van Boven, Hanneke Marcusse en Annemarie Uijen.    

11 Geslachtsverschillen in de incidentie van luchtwegklachten en het beleid door huisartsen
Het geslacht van patiënten speelt een belangrijke rol in de longfysiologie en de epidemiologie van respiratoire aandoeningen, maar heeft ook invloed op (het beleid van) zorgverleners.  In dit retrospectieve onderzoek werden geslachtsverschillen in patiënten geanalyseerd die hun huisarts consulteerden met respiratoire klachten. Er werd gekeken naar verschillen in incidentie en beleid door huisartsen. Geïncludeerd werden patiënten uit FaMe-Net (Family Medicine Network), die hun huisarts consulteerden in de periode 1 juli 2013 tot 30 juni 2018 met een reden van komst (RFE) in de respiratoire categorie. Er werd gecorrigeerd voor leeftijd, het aantal consulten binnen de episode en comorbiditeit. Vrouwelijke patiënten hadden een hogere incidentie van respiratoire symptomen (230/1000 patiëntjaren - 95% CI 227-232) dan mannen (186/1000 patiëntjaren - 95% CI 183-189). De vier meest voorkomende RFE’s waren hoesten, dyspnoe, keelsymptomen en bovenste luchtweginfectie. Huisartsen doen vaker lichamelijk onderzoek (OR 1.22, p<0,05) en vragen vaker radiologisch onderzoek (OR 1.25, p<0,05) aan bij mannelijke patiënten die zich presenteren met hoesten. Huisartsen vragen ook vaker radiologisch onderzoek aan (OR 1.32, p<0,05) en verwijzen vaker naar de specialist (OR 1.35, p<0,05) bij mannelijke patiënten die zich presenteren met dyspnoe. Conclusie: Vrouwen komen vaker bij de huisarts met respiratoire klachten dan mannen. Huisartsen verrichten meer diagnostisch onderzoek bij mannen dan bij vrouwen die zich met dezelfde klacht presenteren. 
Onderzoekers: Kees van Boven, Anne Groeneveld, Sabine Oertelt en Annemarie Uijen.

12 Verschillen patiënten met onverklaarbare duizeligheid van patiënten met te verklaren duizeligheid?
Duizeligheid is een veel voorkomende klacht in de huisartspraktijk, waarbij in meer dan de helft van de gevallen een expliciete diagnose ontbreekt en een symptoomdiagnose wordt vastgelegd. Huisartsen kunnen in de verleiding komen om meer aanvullend onderzoek uit te voeren als de oorzaak onduidelijk is, maar bij onverklaarde duizeligheid is dit niet nuttig. Het doel van deze studie is om patiënten met onverklaarbare duizeligheid te vergelijken met patiënten waarbij de oorzaak voor duizeligheid wel bekend is en daarmee een bijdrage te leveren aan een meer specifiek beleid voor patiënten met onverklaarbare duizeligheid. Alle nieuwe episodes van patiënten van 45 jaar en ouder met duizeligheid als reden van komst in de periode van 01-06-2013 tot 01-07-2018 uit huisartspraktijken binnen het FaMe-netwerk, werden geïncludeerd. Diagnose, beleid, het aantal consulten voor de duizeligheidsklachten, patiëntkenmerken, patiëntkenmerken, consultatiefrequentie, relatie met symptoomdiagnoses en andere symptomen die vaak onverklaard zijn, comorbiditeit en medicatiegebruik werden onderzocht. De meest frequent geregistreerde einddiagnoses van de 1183 geïncludeerde patiënten waren de symptoomdiagnostiek duizeligheid (47,6%), duizeligheidssyndroom (24,6%) en hart- en vaatziekten (6,7%). Patiënten met onverklaarde duizeligheid (de symptoomdiagnose duizeligheid) hadden minder contacten voor deze episode met duizeligheid als reden voor komst en kregen minder interventies, met uitzondering van bloedtesten. In de multivariate analyse was alleen de leeftijd geassocieerd met onverklaarbare duizeligheid (odds ratio 1.013, 1.004-1.020). Uit deze studie blijkt dat patiënten met onverklaarde duizeligheid bijna identiek zijn aan patiënten met bekende oorzaken voor duizeligheid en hun symptomen lijken meer van voorbijgaande aard te zijn.
Onderzoekers: Karlijn de Vries en Kees van Boven.

13 Symptoomduur als voorspeller voor de diagnose
Deze studie onderzocht of de duur van de klacht in het eerste contact met de huisarts van invloed is op het beleid en het stellen van de diagnose, beiden gecorrigeerd voor leeftijd. Patiënten die tussen 01-07-2016 en 30-11-2018 een huisarts in de FaMe-Net praktijken bezochten met een nieuwe episode gestart met één van de tien meest voorkomende klachten: hoesten, lokale roodheid, koorts, lokale zwelling, vermoeidheid, keelklachten, buikpijn, hoofdpijn, oorpijn of lage rugpijn werden geïncludeerd. Een veelvoorkomende diagnose van alle geïncludeerde symptomen blijkt de symptoomdiagnose te zijn; een diagnose die wordt gesteld indien een klacht niet verklaard kan worden door een specifieke diagnose (33.2 %). De kans op het stellen van de symptoomdiagnose stijgt bij patiënten die zich presenteren met een langere duur van hoesten (OR 2.17), vermoeidheid (OR 4.36), keelklachten (OR 3.04), buikpijn (OR 2.12) of hoofdpijn (OR 1.53). Bij acute, infectieuze diagnoses daalt de kans op een symptoomdiagnose juist bij een langere duur van de klachten. Zo hebben patiënten die zich presenteren met een lokale roodheid langer dan 72 uur minder kans op een huidinfectie (OR 0.36). Patiënten die zich presenteren met een langere duur van hoestklachten kregen vaker bloedonderzoek, medicatie en beeldvormend onderzoek. Het uitvoeren van urineonderzoek, het voorschrijven van medicatie en een verwijzing naar het ziekenhuis daalde juist bij een langere duur van buikklachten. Ook bij patiënten met lage rugklachten daalde de medicatievoorschriften en het doen van urineonderzoek bij een langere duur, maar stegen verwijzingen naar de fysiotherapeut. Conclusie: bij een langere duur van symptomen neemt de kans op een ernstige ziekte niet toe. Deze patiënten krijgen vaker een symptoomdiagnose als uiteindelijke diagnose. Daarnaast vragen huisartsen bij het langer bestaan van klachten meer onderzoek aan. Een uitzondering hierop zijn patiënten die zich presenteren met kortdurende klachten waarbij een bepaalde infectie meer waarschijnlijk is. Zo krijgen patiënten met kortdurende buikpijn vaker urineonderzoek en een verwijzing naar het ziekenhuis. 
Onderzoekers: Annemarie Uijen, Kees van Boven en Maud van den Heuvel.

14 Geslachtsverschillen in eerstelijnsinterventie bij long- en colorectale kanker
Long- en colorectale kanker zijn de twee niet-geslachtsgebonden kankers met de hoogste incidentiecijfers en mortaliteit. Het is belangrijk om de tijd tussen het eerste consult bij de huisarts en de doorverwijzing naar een specialist, het Primary Care (IPC) interval, zo kort mogelijk te laten zijn. Gender kan dit interval beïnvloeden. Doel van deze studie is het onderzoeken van sekseverschillen in IPC in colorectale en longkanker. We onderzochten alle nieuwe episodes van patiënten met long-of coloncarcinoom tussen 1-7-2008 tot 30-6-2018 uit FaMe-net huisartspraktijken. Episodes zonder verwijzingscode of met een IPC> 30 dagen werden handmatig gecontroleerd. Colorectale kanker die via het screeningsprogramma werd gevonden, werd apart beschreven. De relatie tussen het IPC en geslacht werd geanalyseerd en gecorrigeerd voor leeftijd. We vonden 313 patiënten en includeerden de 257 patiënten die door de huisarts verwezen waren. Bij colorectale kanker die niet bij screening was gevonden, was het mediane IPC acht dagen voor mannen en vijf voor vrouwen (p = 0,30). Bij longkanker was dit respectievelijk zeven en tien dagen (p = 0,89). Voor de screeningsgroep was dit één dag bij beide geslachten (p=0,34). Het mediane IPC is relatief laag en er is geen significant verschil in IPC tussen geslachten in colorectale en longkanker. Gender lijkt dus geen relevante invloed te hebben op IPC.
Onderzoekers: Kees van Boven en Teun Wagenaars.

15 De uitkomst van hypertensiebehandeling in de huisartsenpraktijk       
Hypertensie komt voor bij zo’n 26-37% van de Nederlanders en is een belangrijke risicofactor voor cardiovasculaire aandoeningen en sterfte. Ondanks leefstijladviezen en medicamenteuze behandelingen bereikt een aanzienlijk deel van de patiënten de streefwaarde van maximaal 140 mmHg niet, maar recente informatie over dit percentage ontbreekt. Ook is onbekend of deze patiënten zich onderscheiden wat betreft leeftijd, geslacht, roken, BMI, nierfunctie, comorbiditeit, familiaire belasting voor hart- en vaatziekten, hoogte van hypertensie bij diagnosestelling, aantal en soort bloeddrukverlagende middelen, gebruik van combinatietabletten, aantal bloeddrukcontroles en duur van follow-up. Dit onderzoek geeft antwoord op de vraag welk percentage van de patiënten in de huisartsenpraktijk de streefwaarde heeft bereikt binnen twee jaar na de diagnose hypertensie. Daarnaast werd onderzocht of er een relatie is tussen het bereiken van de streefwaarde en bovenstaande kenmerken. Alle patiënten met de nieuwe diagnose hypertensie en die minstens twee jaar konden worden vervolgd, zijn geïncludeerd uit de huisartspraktijken van het FaMe-netwerk. De geselecteerde patiëntenpopulatie is op basis van de laatste systolische bloeddruk binnen twee jaar na stellen van de diagnose verdeeld in twee groepen; de normotensieven en de hypertensieven. Vervolgens is gekeken of er verschillen zijn in kenmerken tussen deze twee groepen. Van de 802 geïncludeerde patiënten heeft 51,7% de streefwaarde binnen twee jaar bereikt. De gemiddelde uitgangsbloeddruk bij de normotensieven is significant lager (P<0,001) en het aantal patiënten met cardiovasculaire aandoeningen bij de normotensieven is significant hoger (P=0,003) dan bij de hypertensieven (P<0,001). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat het aantal patiënten met familiaire belasting voor hart- en vaatziekten bij de normotensieven significant groter is dan bij de hypertensieven (P=0,042). Verder valt op dat de hypertensieven evenveel klassen antihypertensiva gebruiken als de normotensieven. Zelfs 31% van de hypertensieven gebruikt helemaal geen antihypertensivum, terwijl het bij een blijvend verhoogde bloeddruk geïndiceerd is om antihypertensiva toe te voegen.
Onderzoekers: Annelie Fekken en Kees van Boven.

16 Ziektelast bij mensen met COPD: een vergelijking tussen eerste, tweede en derde lijn
COPD is een chronische longaandoening met een enorme impact op allerlei aspecten van het leven. In de huidige zorg ligt de focus op in het kaart brengen en monitoren van de luchtwegobstructie, terwijl de ervaren ziektelast veel meer wordt bepaald door klachten, hinder en beperkingen. Het doel van dit onderzoek was om de ziektelast, ook wel integrale gezondheidsstatus genoemd, van mensen met COPD te vergelijken tussen de eerste, tweede en derde lijn. Ook verkenden wij welke factoren geassocieerd zijn met ernstige problemen in de ziektelast. We analyseerden medische gegevens van de Nijmeegse-Clinical-Screening-Instrument (NCSI) vragenlijst die in het kader van de gebruikelijke COPD-zorg in regionale huisartsenpraktijken en ziekenhuizen wordt afgenomen om in detail de COPD-ziektelast in kaart te brengen. Deze NCSI brengt tien sub-domeinen in kaart: FEV1% als percentage van voorspeld, BMI, kwaliteit van leven, tevredenheid met lichamelijk functioneren, tevredenheid met relaties en sociale contacten, subjectief ervaren beperkingen, feitelijke beperkingen in het gedrag, subjectief ervaren benauwdheid, ervaren frustratie en angst tijdens benauwdheid en ervaren vermoeidheid. We verzamelden gegevens over de periode 2012 t/m 2017 van 289 COPD patiënten uit de eerste lijn, 184 uit tweede lijn en 433 uit de derde lijn. De resultaten lieten zien dat in de eerste lijn een aanzienlijk percentage mensen met COPD ernstige problemen ervaart in met name kwaliteit van leven (56%), vermoeidheid (45%) en frustratie en angst tijdens benauwdheid (37%). Ook in de tweede en derde lijn zijn dit de domeinen waarin de meeste mensen ernstige problematiek ervaren. Vooral in de derde lijn hebben veel mensen met COPD ook ernstige problemen in ervaren beperkingen en feitelijk beperkingen in het gedrag. Vrouw zijn, jongere leeftijd, hogere BMI en ernstige luchtwegobstructie leken geassocieerd te zijn met ernstige problemen in de integrale gezondheidsstatus. Deze studie laat zien dat de hoeveelheid COPD-patiënten met ernstige problemen in de verschillende domeinen van de integrale gezondheidsstatus substantieel is. Aandacht vanuit de zorg voor problemen in domeinen als vermoeidheid, angst en frustratie, relaties en sociale contacten en beperkingen lijkt dan ook wenselijk. De resultaten van dit onderzoek impliceren dat gedetailleerde assessment van de ziektelast noodzakelijk is, ook in de eerste lijn.
Onderzoekers: Erik Bischoff en Mieke de Klein.

17 CVRM bij COPD-patiënten in de huisartsenpraktijk; een kijkje achter het rookgordijn
COPD gaat vaak gepaard met cardiovasculaire comorbiditeiten, wat kan leiden tot een hogere ziektelast, hogere zorgkosten en een hogere mortaliteit. Het is daarom wenselijk om hart- en vaatziekten bij COPD-patiënten te voorkomen. De meest recente NHG-standaard CardioVasculair RisicoManagement (CVRM) adviseert alle mensen met COPD periodiek CVRM aan te bieden. In dit onderzoek brachten wij het huidige CVRM bij COPD-patiënten in kaart in 83 huisartspraktijken. Medische gegevens uit de huisartsendossiers van 7.883 COPD-patiënten over 2018 werden geanalyseerd. We definieerden dat er sprake was van CVRM bij de aanwezigheid van een volledig cardiovasculair risicoprofiel, bij inclusie ketenzorg voor CVRM volgens de InEen-criteria of bij een hoofdbehandelaar voor CVRM in de tweede lijn. De resultaten laten zien dat 4.685 COPD-patiënten (59,4%) CVRM ontvingen in 2018. In vergelijking met COPD patiënten die geen CVRM ontvingen waren deze patiënten significant ouder (71,0 versus 64,9; p <0,0001) en vaker man (55,1% versus 50,0%; p <0,0001). De meest voorkomende cardiovasculaire risicofactoren (exclusief roken) waren ongecompliceerde hypertensie (35,5%), vetstofwisselingsstoornis (16,8%) en diabetes mellitus type 2 (16,2%). Van alle COPD patiënten zonder CVRM bleken 527 COPD-patiënten (16,5%) toch een of meer hart- en vaatziekten te hebben. Omdat preventie beter is dan genezing, is cruciaal dat er een goede strategie komt om hart- en vaatziekten bij COPD-patiënten te voorkomen. Deze studie geeft een bemoedigend inzicht met een relatief hoge inclusie in CVRM, maar laat ook zien dat er nog volop ruimte voor verbetering is. 
Onderzoekers: Erik Bischoff en Melissa Visser.

18 Comorbiditeit index scores en exacerbatie risico bij patiënten met COPD
In Nederland is bij meer dan 350.000 mensen chronisch obstructief longlijden (COPD) gediagnosticeerd. De laatste jaren wordt steeds meer bekend over factoren die van invloed zijn op de prognose van COPD. Niet alleen is bekend dat COPD-patiënten een hogere prevalentie van comorbiditeiten hebben, maar ook dat deze invloed hebben op de kwaliteit van leven. Bepaalde comorbiditeiten zijn gerelateerd aan het krijgen van meerdere exacerbaties per jaar, onder andere hartfalen, perifere vaatziekte, diabetes, osteoartritis en depressie. Ondanks deze kennis krijgt preventie en/of behandeling van comorbiditeiten nog te weinig gerichte aandacht bij de behandeling bij COPD mede omdat de hoeveelheid comorbide aandoeningen waaraan patiënten kunnen lijden, het bestuderen van de impact van de ‘totale’ comorbiditeit op de prognose complex maakt. Om deze complexiteit deels te ondervangen kan gebruik gemaakt worden van gevalideerde comorbiditeitsindexen, zoals de Charlson Comorbidity Index Score. Deze indexen zijn weliswaar niet specifiek ontwikkeld voor COPD, maar geven wel een generiek beeld van de prognose bij patiënten die aan meerdere chronische aandoeningen lijden. In deze studie is gekeken naar de associatie tussen comorbiditeitsindex-scores en exacerbatierisico bij patiënten met COPD. Op basis van elektronische gegevens van 16427 patiënten met COPD (gemiddelde leeftijd 66.5 jaar, 52.9% mannen) uit 178 huisartspraktijken over de periode 2012 en 2013 is gekeken naar drie verschillende indexen; de Charlson Comorbidity Index, de Van Walraven-Elixhauser index en de COTE index en het aantal comorbiditeiten per patiënt. Het gemiddelde aantal comorbiditeiten per patiënt was 3.02, 32% van de patiënten had een exacerbatie gedurende de studieperiode en de mediane tijd tot de eerste exacerbatie was 114 dagen. De comorbiditeiten met de hoogste prevalentie waren hypertensie (38%), coronaire hartziekten; angina pectoris en myocardinfart (21%), osteoarthritis (20%), diabetes (19%) en perifere vaatziekte (18%). De comorbiditeitsindex-scores blijken geassocieerd met een verhoogd risico op exacerbatie: hoe hoger de index-score hoe hoger het risico op een exacerbatie. Daarnaast was het aantal comorbiditeiten ook geassocieerd met exacerbatierisico. Het bekijken van comorbiditeiten kan mogelijk bijdragen aan betere exacerbatie-risicostratificatie en daarbij het identificeren van COPD-patiënten die een extra verhoogd risico hebben op het krijgen van een exacerbatie.
Onderzoekers: Eva Ubbink en Tjard Schermer.

19 PICS-F: klachten bij familieleden van voormalige ic-patiënten
Na ontslag van een intensive care afdeling houdt een groot deel van de patiënten klachten op fysiek, psychisch en cognitief gebied. Deze verzameling klachten na een ic-opname wordt het ‘Post Intensive Care Syndrome’ genoemd. Familie en naasten van deze patiënten kunnen door het verblijf van hun familielid op de ic ook klachten ondervinden, waaronder mentale klachten zoals depressies en angsten en fysieke klachten zoals vermoeidheid en hoofdpijn. Dit wordt het ‘Post Intensive Care Syndrome – Family’ (PICS-F) genoemd. Hoewel de gevolgen van het hebben van een familielid op de ic groot kunnen zijn, krijgen deze mogelijk onvoldoende aandacht. PICS-F klachten zullen als eerste bij de huisarts gepresenteerd worden. Daarom heeft deze studie als doel om te beschrijven met welke klachten familieleden van voormalige ic-patiënten zich melden bij de huisarts. In samenwerking met de ic-afdeling van het Radboudumc werden uit enkele praktijken van het FaMe-netwerk alle inwonende familieleden van voormalige ic-patiënten geëxtraheerd. De primaire uitkomstmaat van dit onderzoek was het aantal nieuw geregistreerde diagnoses in de vijf jaar na ontslag van het familielid van de ic. De controlegroep bestond uit familieleden van patiënten die ernstig ziek waren, maar niet op de ic hebben gelegen. Vergeleken met de controlegroep bleken er bij familieleden van voormalig ic-patiënten inderdaad meer diagnoses gesteld te worden. Dit verschil werd echter pas gezien vanaf één jaar na ontslag van de voormalig ic-patiënt.
Onderzoekers: Floris van de Laar, Marieke Zegers (Intensive Care), Mark van den Boogaard (Intensive Care) en Rick Naaktgeboren.

20 Diagnose en comorbiditeit bij jonge patiënten met cardiovasculaire klachten
Pijn en hartkloppingen op de borst zijn veel voorkomende klachten in de eerste lijn die vaak resulteren in niet-cardiale diagnoses. Psychosociale problematiek wordt vaak als reden genoemd bij patiënten met cardiovasculaire klachten, maar ook musculoskeletale, psychologische en gastro-intestinale ziekten zijn vaak oorzaak van deze klachten. De literatuur beschrijft de diagnose en patiëntkenmerken hiervan bij oudere patiënten of bij patiënten van alle leeftijden. Deze studie richt zich op het stellen van diagnoses van patiënten in de leeftijdsgroep van 25 tot 45 jaar. Ook werden comorbiditeit en de contactfrequentie van deze patiënten vergeleken met een controlegroep in dezelfde setting. Alle patiënten tussen 25 en 45 jaar uit het FaMe-netwerk die in de periode 1995 tot 2018 de huisarts raadpleegden met pijn op de borst of hartkloppingen als reden voor consult (indexgroepen) werden meegenomen. Deze werden vergeleken met twee controlegroepen zonder deze klachten. 415 patiënten met pijn op de borst en 624 met palpitaties werden geïncludeerd. Voor de meeste patiënten kon een diagnose van de ziekte niet worden vastgesteld. 2,4% van de patiënten met pijn op de borst had een acuut coronair syndroom en 1,4% had een acute pericarditis. 7,3% van de patiënten met palpitaties had een aritmie, namelijk 0,8% boezemfibrilleren, 3,0% paroxismale tachycardie en 3,5% een niet gespecificeerde aritmie. In de groep met pijn op de borst werden angst of angst-gerelateerde stoornissen (OR 1.96), slokdarmziekte (OR 1.87) en nierstenen (OR 2.57) vaker als comorbiditeit gediagnosticeerd in vergelijking met de controlegroep. Dezelfde comorbiditeiten komen ook vaker voor bij patiënten met palpitaties, met respectievelijk OR 2.06, OR 1.46 en OR 1.64. Er werden geen verschillen in contactfrequentie gevonden tussen de indexgroepen en de controlegroepen. Hoewel pijn en hartkloppingen op de borst ernstige symptomen zijn, was de diagnose bij deze patiënten van 25-45 jaar bijna nooit levensbedreigend. Onze resultaten lieten zien dat huisartsen mogelijke serieuze ziektes wel moeten overwegen en de klachten niet automatisch als psychologisch moeten labelen.
Onderzoekers: Annemarie Uijen, Ilse van der Heijden en Kees van Boven. 

21 Consultatiepatronen als voorspeller van SOLK
De zorg voor somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) is één van de kerntaken van de huisarts. Het is vaak moeilijk om in een vroeg stadium te herkennen of een klacht onvoldoende verklaard wordt door ziekte. Daarom onderzochten wij of consultatiepatronen kunnen helpen om te voorspellen of een nieuwe klacht uiteindelijk wel of geen formele ziektediagnose krijgt. Eerder onderzoek suggereert dat het presenteren van meerdere symptomen uit meerdere orgaansystemen op meerdere momenten een belangrijke aanwijzing is voor SOLK. We verwachtten daarom dat een grotere diversiteit in redenen om naar de huisarts te gaan een voorspeller is voor SOLK. We onderzochten dit in een groep van patiënten die de huisarts vaak bezochten en een groep van patiënten die de huisarts tenminste eenmaal bezochten. In beide groepen was diversiteit in redenen om naar de huisarts te gaan geen voorspeller voor nieuwe SOLK. Onder patiënten die de huisarts tenminste eenmaal bezochten, hadden jongere patiënten, vrouwen en patiënten met een consult voor psychosociale redenen een iets grotere kans op nieuwe SOLK. De eerder genoemde vuistregel van meerdere symptomen uit meerdere orgaansystemen op meerdere momenten gaat daarmee niet op voor de herkenning van nieuwe SOLK aan de hand van consultatiepatronen. 
Onderzoekers: Ella Bekhuis (promovendus en basisarts, UMCG), Judith Rosmalen (medisch bioloog en psycholoog, UMCG), Kees van Boven, Tim Olde Hartman en Chris Burton (huisarts, University of Sheffield).
 

Divider
Promoties 2018-2019
Francis Andoh Adjei, Provider payment reforms in Ghana’s National Health Insurance Scheme: monitoring and evaluation of capitation as a provider payment mechanism for primary outpatient services.
Astrid Altena, Homeless young adults using shelter facilities. Their needs and the effectiveness and appropriateness of interventions and services.
Britt Appelhof, The management of neuropsychiatric symptoms in people with young-onset dementia: improving specialized long-term care.
Esther Bakker-van Gijssel, A pro-active health assessment instrument for people with intellectual disabilities – towards reducing health inequities.
Anne van den Brink, Verpleeghuisbewoners met lichamelijke en psychiatrische multimorbiditeit.
Inge van Dijk, Mindfulness-based stress reduction for medical clerkship students.
Jeanine Driesenaar, Beliefs and adherence regarding inhaled corticosteroids: paying attention to patient-provider communication in community pharmacy practice.
Sabine Käyser, Primary aldosteronism in general practice: organ damage, epidemiology and treatment (PAGODE).
Peter Leusink, The diagnostic management of provoked vulvodynia in general practice.
Mary O’Reilly-de Brún en Tomas de Brún (dubbelpromotie), Engaging service-users in codesigning primary health care: assessing the potential of Participatory Learning and Action (PLA).
Franca Ruikes, Integrated primary care for frail elderly; implementation, effects and costs of the CareWell primary care program.
Klaas van der Spek, Appropriate psychotropic drug use in institutionalized people with dementia - The PROPER-study.
Olga Visser, Prevention of pertussis in early infancy: development of a strategy for implementing pertussis vaccination of new parents and healthcare workers.
Cis Vrijmoeth, Timely identification of people with intellectual disabilities in need of palliative care.
Elza Zijlstra, Evaluation of a centre for sexual and family violence. Perspectives of victims and professionals.
Divider
Publicaties

Change in frequency of patient requests for diagnostic screening and interventions during primary care encounters from 1985 to 2014.
Van den Broek J, van Boven K, Bor H, Uijen AA. Fam Pract. 2018 Dec 12;35(6):724-730. 

Advance care planning for patients with cancer in the palliative phase in Dutch general practices.
Ermers DJM, van Bussel KJH, Perry M, Engels Y, Schers HJ.
Fam Pract. 2018 Dec 10. [Epub ahead of print]

Urine cultures and antibiotics for urinary tract infections in Dutch general practice.
Ganzeboom KMJ, Uijen AA, Teunissen DTAM, Assendelft WJJ, Peters HJG, Hautvast JLA, Van Jaarsveld CHM. Prim Health Care Res Dev. 2018 Aug 31:1-8. [Epub ahead of print]

Primary care cohort study in the sequence of diagnosing chronic respiratory diseases and prescribing inhaled corticosteroids.
Geraets I, Schermer T, Kocks JWH, Akkermans R, Bischoff E, van den Bemt L.
NPJ Prim Care Respir Med. 2018 Oct 9;28(1):37.

Incidence, course and risk factors of head injury: a retrospective cohort study.
Gerritsen H, Samim M, Peters H, Schers H, van de Laar FA. BMJ Open. 2018 May 31;8(5):e020364. 

Is the plasma aldosterone-to-renin ratio associated with blood pressure response to treatment in general practice?
Käyser SC, Schalk BWM, de Grauw WJC, Schermer TR, Akkermans RP, Lenders JWM, Deinum J, Biermans MCJ. Fam Pract. 2019 Mar 20;36(2):154-161.

Incidence, presentation and management of Lyme disease in Dutch general practice.
Methorst MM, Uijen AA, Schers H, Tiersma WP, Hautvast JLA, van Jaarsveld CHM.
Fam Pract. 2019 Mar 20;36(2):110-116. 

Age- and sex-specific prevalence of chronic comorbidity in adult patients with asthma: A real-life study.
Veenendaal M, Westerik JAM, van den Bemt L, Kocks JWH, Bischoff EW, Schermer TR.
NPJ Prim Care Respir Med. 2019 Apr 29;29(1):14. 

Implementation of web-based hospital specialist consultations to improve quality and expediency of general practitioners' care: a feasibility study.
van der Velden T, Schalk BWM, Harmsen M, Adriaansens G, Schermer TR, Ten Dam MA.
BMC Fam Pract. 2019 May 29;20(1):73. 

Divider
Bedankt!

Dank aan alle huisartsenpraktijken die deze onderzoeken mede mogelijk hebben gemaakt!
MEER WETEN?
Wilt u meer weten over de onderzoeken in deze nieuwsbrief?

Heeft u zelf onderzoeksvragen of heeft u ondersteuning nodig bij het analyseren van de gegevens?

Neem contact op met het RTKIC via RTKIC.ELG@radboudumc.nl
Divider
© Radboudumc Eerstelijnsgeneeskunde Geert Grooteplein 21 Nijmegen, CT 6525 EZ Netherlands
Unsubscribe from this list.
Radboudumc wapen


Email Marketing Powered by Mailchimp